Van de vluchtelingen die wel een baan hebben, zegt veertig procent onder zijn niveau te werken. „Zonde”, vindt Pour. „Op deze manier gaat veel kennis verloren.” Pour begeleidt vluchtelingen naar een baan, studie of stage. „Ik merk vaak dat gemeenten vluchtelingen liever snel aan een baan helpen, in plaats van aan een studie. Dat werkt averechts omdat werken onder je niveau vaak leidt tot uitval, en dus weer tot een uitkering.” Ook vindt hij dat werkgevers vaker vluchtelingen aan zouden moeten nemen. „Het zijn vaak trouwe werknemers die enorm gemotiveerd zijn en ook nog meerdere talen spreken. Het draagt ook nog bij aan de diversiteit op de werkvloer.”
Vluchtelingen vinden niet snel een baan op hun oude niveau. Dit komt omdat de diploma’s die ze in hun thuisland hebben gehaald niet altijd in Nederland worden erkend. Ook is de taal een probleem en komt het voor dat ze door een lang verblijf in een opvangcentrum gezondheidsproblemen hebben. Het UAF vindt daarom dat asielzoekers drie maanden na aankomst toegang tot taalonderwijs moeten krijgen en zes maanden na aankomst toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt.
In vergelijking met de andere vluchtelingengroepen doen Iraniërs het relatief goed, maar ruim een derde geeft aan dat een slechte gezondheid de belangrijkste reden is om geen betaald werk te doen. Afghanen, Irakezen en Somaliërs hebben andere motieven om niet te werken, zoals bijvoorbeeld het volgen van een studie.
Onder alle onderzochte groepen is de werkloosheid ten opzichte van 2003 wel gedaald. Ook zegt bijna tachtig procent van de Iraakse en Afghaanse en bijna negentig procent van de Somalische inburgeraars tevreden te zijn over het inburgeringsprogramma. De Iraniërs zijn daar iets minder tevreden over; zestig procent is zeer tevreden. Ook blijkt dat het merendeel van de vluchtelingengroepen zich in Nederland veilig voelt en dat een groot deel contact heeft met autochtone Nederlanders.
Bron: Trouw
